Overslaan en naar de inhoud gaan

Hoe stellen we de diagnose?

Via verschillende onderzoeken bepalen we het stadium. Zo weten we waar de tumor precies zit, hoe groot deze is en of deze zich heeft verspreid.

1.    Klinische onderzoek

De arts bekijkt en voelt aan je mond, keel en hals. Zo krijgt hij of zij een eerste indruk van de plaats en de uitbreiding van het letsel.

2.    Kijkonderzoek via endoscopie of laryngoscopie

Via een camera op een dun, buigzaam slangetje bekijkt de arts je neus, keel en stembanden.
Dit onderzoek duurt maar even en gebeurt meestal zonder verdoving. Soms is een uitgebreider kijkonderzoek (panendoscopie) onder algemene verdoving nodig, waarbij ook keel, luchtpijp en slokdarm worden nagekeken.

3.    Biopsie of weefselonderzoek

De arts neemt een klein stukje weefsel weg. De patholoog onderzoekt dit onder de microscoop. Alleen zo kan de diagnose kanker met zekerheid bevestigd worden. Het weefselonderzoek vertelt ook om welk type tumor het gaat. 

4.    Medische beeldvorming
  • CT-scan: brengt met röntgenstralen de tumor, de lymfeklieren en de botstructuren in beeld.
  • MRI-scan: gebruikt magneetvelden en toont zachte weefsels heel gedetailleerd.
  • Echografie van de hals: om de lymfeklieren te beoordelen, eventueel met een naaldpunctie voor weefselonderzoek
  • PET-CT: spoort met een licht radioactieve suiker actieve tumorcellen op in het hele lichaam.

Waaruit bestaat de behandeling van hoofd- en halstumoren?

Zodra alle onderzoeksresultaten bekend zijn, wordt jouw dossier besproken op het multidisciplinair oncologisch consult, kortweg het MOC. Dat is een overleg waarbij alle betrokken specialisten samen een behandelplan op maat opstellen. Daarbij houden ze niet alleen rekening met de tumor, maar ook met jouw algemene gezondheid, je leeftijd, je thuissituatie en wat voor jou belangrijk is.

Ook je huisarts wordt op de hoogte gebracht van het advies. Je behandelend arts bespreekt het voorstel nadien met jou.
Dit kan bestaan uit een operatie, bestraling, medicatie, of een combinatie daarvan. 

Chirurgie

De chirurg verwijdert de tumor met een rand gezond weefsel eromheen. Afhankelijk van de plaats gebeurt dit via de mond, met een laser of via een snede in de hals of het aangezicht. Het is mogelijk dat de chirurg een van volgende handelingen uitvoert tijdens de ingreep:

  • halsklieruitruiming of -dissectie: verwijderen van de klieren, aan één of beide zijden (soms ook preventief als er nog geen uitzaaiingen zichtbaar zijn)
  • reconstructie: herstellen van het gebied met weefsel elders uit je lichaam om het uitzicht en je functies (spreken, kauwen of slikken) zo goed mogelijk te behouden
  • tracheotomie: een tijdelijke opening in de lichtpijp om je ademhaling veilig te houden bij grotere ingrepen

Na een uitgebreide ingreep verblijf je meestal enkele dagen op de dienst intensieve zorgen. Kinesitherapie, logopedie en diëtiek starten vroeg op, zodat je zo snel mogelijk opnieuw kan bewegen, communiceren en eten.

Radiotherapie

Bij radiotherapie worden kankercellen vernietigd met stralen van hoge energie. Meestal krijg je vijf sessies per week, gedurende zes tot zeven weken. Met moderne bestralingstechnieken wordt het gezonde weefsel rond de tumor zo veel mogelijk gespaard.

Chemotherapie

Chemotherapie zijn geneesmiddelen die kankercellen doden. Ze worden via een infuus toegediend en werken in je hele lichaam. Bij hoofd- en halstumoren wordt chemotherapie vaak gecombineerd met bestraling (chemoradiotherapie), omdat ze elkaars werking versterken. Veelgebruikte middelen zijn cisplatine, carboplatine, docetaxel en 5-fluorouracil.

Doelgerichte therapie en immunotherapie

Doelgerichte therapie grijpt in op een specifiek kenmerk van de tumorcel. Cetuximab is hiervan het bekendste voorbeeld bij hoofd- en halstumoren. 
Immunotherapie zet je eigen afweersysteem aan om kankercellen op te sporen en aan te vallen. De voorbije jaren is er intensief onderzoek naar deze therapie waardoor frequent nieuwe medicatie beschikbaar wordt. 

Hoe word je opgevolgd?

Na de behandeling blijf je onder controle bij je behandelend arts. Zo kunnen we een eventuele terugkeer van de ziekte vroeg opsporen, bijwerkingen behandelen en je herstel opvolgen. Meestal verloopt dit:

  • de eerste twee jaar: om de twee maanden 
  • het derde jaar: om de drie maanden 
  • het vierde en vijfde jaar: om de zes maanden 
  • nadien: jaarlijks of niet meer, afhankelijk van jouw situatie

Lees meer over hoofd- en halsoncologie